7. Visioenen 7.1. Twee levenstrappen

Twee levenstrappen

Op een zomerse middag vertelde ik mijn ouders een openbaring over mijn leven. We zaten met z’n vieren aan tafel. Ik was toen een jaar of 9, 10? Ik vertelde hen mijn visioen en nu zijn jullie aan de beurt om te horen. Geniet er van.

“Mama vroeg me frietjes te halen in diepvriesdiscount. Ze gaf me geld en met mijn geel fietsje reed ik daar om. We gingen heerlijke frietjes eten ’s middags. Ik nam een zak friet uit de diepvries, betaalde de verkoopster en reed snel naar huis.  

Toen ik thuis aankwam was alles afgebrand. Ik zag alleen assen, afgebrande houten balken en steen zo roet en kapot op de grond. Het was een puinhoop. Ik gooide mijn fietsje langs de kant en liep naar het midden van het afgebrand huis. Ik zag mama niet, papa niet en zusje ook niet. Ze waren nergens te bespeuren. Geen teken van leven, maar ook geen verkoolde lichamen. Familie… foetsie, gewoon weg!

Ik huilde en viel op mijn knieën. Ik had verdriet en begreep het niet. Toen richtte ik mijn ogen op en ik staarde naar een soort blinkend metaal ‘iets’,  dat op de grond lag tussen de afgebrande balken. Ik liep er naartoe, raapte het op en zag dat het een gouden munt was. Deze munt was groot, de grootte van een sinaasappel. Er stond een inscriptie op. Ik las: “Als je dit leest zal je twee trappen zien…”.

Plotseling stond ik in een leeg wit open ruimte, waar geen breedte of lengte waargenomen kon worden. Er was niets te zien, tenzij twee trappen. De ene trap liep naar boven en de ander trap naar beneden.  Ik keek naar boven en zag een verheerlijkt licht. In dat licht stond een man en Hij straalde en ik herkende hem, het was mijn Jezus! Hij strekte zijn hand uit. Hij zei met een liefdevolle stem: “Kom maar Maaike, we wachten op jou. Bij mij zal je geen honger meer hebben.” Deze trappen waren heel erg mooi. Ze waren van goud! Jaaa! Er zaten zelfs edelstenen in de trappen. Diamanten, robijnen en noem maar op. De trappen waren niet gelijk. De ene trap zag er hoger uit dan de ander. Ik probeerde de eerste trappen uit. Een trap van 20 cm was gemakkelijk te beklimmen. Een ander trap was een meter hoog. Ik moest erop kruipen. Dit verliep moeizaam. Intussen had ik wel knap honger. Net toen ik de volgende trap wou nemen viel ik naar beneden. En daar lag ik op de grond waar ik begonnen was. Op dit moment riep er iemand anders mijn naam. Die stem heb ik nog niet gehoord. Zo te horen kwam hij precies van beneden. Ik ging aan die trap staan en keek naar beneden. Het was een roltrap! De roltrap zag er niet netjes uit. Bierblikken en sigarettenpeuken kleefde aan de zijkanten van de roltrap. Ik zag in de verte een lelijk oud  groenig mannetje in donkere vuile en kapotte kleren, zonder schoenen aan. Zijn broek, daar zaten scheuren in zoals je letterlijk uit een boom bent gevallen en aan elke tak bent blijven haperen. Hij sprak me aan met een opgejaagd slijmerig hoog stemmetje. Hij kwam dichterbij en had een zak friet in zijn hand. Hij zei, “Kom maar, kom maar je frieten halen… “ Ik wou niet gaan. Hij zag er zo vies uit en ik miste mijn mama en papa en zusje …  Toen riep dat mannetje: “Je mama en papa zijn hier, kom maar.” Ik had wel honger! Ik waagde erop en stond op de roltrap. De roltrap liep naar beneden. Aangezien mijn ouders daar zouden zijn … Naarmate dat ik verder naar beneden ging, zag ik de benedenverdieping. Alles was onder de modder. Ik zag mensen tot hun knieën in de modder ploeteren, sloegen elkaar met stokken en dat geschreeuw… verschrikkelijk! Iedereen deed elkaar pijn en ze trokken aan elkaar, zelfs aan de haren. Het zag er wreed uit. Ik besloot om terug te keren naar boven. Naarmate dat ik de roltrap in tegenrichting opliep naar boven, was ook de roltrap sneller naar beden aan het rollen. Ik zag zo mijn leven voorbijflitsen en net voor ik in die afgrond terecht kwam riep ik: “JEZUS, HELP ME!” Op dit moment FLOEP! Ik stond terug op gelijkvloers. Ik stond in een leeg wit open ruimte, waar geen breedte of lengte waargenomen kon worden, waar 2 trappen zichtbaar werden. De ene liep naar boven, de ander … jaaaah, daar had ik genoeg van! Ik klom de trappen opnieuw op. Trede per trede. De ene was zwaarder dan de ander, maar naarmate dat ik halverwege was ging het beter. Ik was precies gewend om mijn spieren te gebruiken om deze trappen te beklimmen. Toen ik boven kwam zag ik een hele mooie gouden poort, met aan de linker en rechterkant elk met een ketting vastgebonden leeuw.  Het zagen eruit als wachters. Ik was niet bang om middenin aan de poort te gaan staan en aan te kloppen. Ik klopte en de poort ging wagenwijd open. Jezus deed open en ik zag mijn familie terug en omhelsde hen. Ik was in een feeststemming terecht gekomen. Ik zal mijn ouders terug en had geen honger meer!”

Plaats een reactie